|
Tarot in de
Veertigdagentijd
Zondag, vierde week: Niet zien
en niet horen
![]() Jezus herinnert de leerlingen aan de wonderen waarbij hij vijf broden brak waar vijfduizend mensen van konden eten en zeven broden waar vierduizend mensen van konden eten. "Ze (de leerlingen) hadden het
er met elkaar over dat ze
geen brood
hadden. Toen hij dit merkte, zei hij: ‘Waarom
praten jullie erover dat
je geen brood hebt? Begrijpen jullie het dan nog niet, en ontbreekt het
jullie
aan inzicht? Zijn jullie dan zo hardleers? Jullie hebben
ogen, maar
zien niet? Jullie hebben oren, maar horen niet? Weten jullie dan niet
meer hoeveel manden vol stukken brood jullie hebben opgehaald
toen ik vijf
broden brak voor vijfduizend mensen?’
‘Twaalf,’ antwoordden ze. ‘En
toen ik zeven broden brak voor vierduizend mensen, hoeveel manden vol
stukken
brood hebben jullie toen opgehaald?’
‘Zeven,’ antwoordden ze. Toen zei
hij: ‘Begrijpen jullie het dan nog niet?’" (Marcus
8:16-21) Maandag, vierde week: De broodvermenigvuldiging
Jezus doet een wonder. Hij deelt vijf broden en twee vissen en er is genoeg voor vijfduizend mensen. "Daarna ging Jezus naar de overkant van het Meer van Galilea (ook wel het Meer van Tiberias genoemd). Een grote menigte mensen volgde hem, omdat ze gezien hadden welke wondertekenen hij bij zieken deed. Jezus ging de berg op, en ging daar met zijn leerlingen zitten. Het was kort voor het Joodse pesachfeest. Toen Jezus om zich heen keek en zag dat die menigte naar hem toe kwam, vroeg hij aan Filippus: ‘Waar kunnen we brood kopen om deze mensen te eten te geven?’ Hij vroeg dat om Filippus op de proef te stellen, want zelf wist hij al wat hij zou gaan doen. Filippus antwoordde: ‘Zelfs tweehonderd denarie zou niet voldoende zijn om iedereen een klein stukje brood te geven.’ Een van de leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei: 9 ‘Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen – maar wat hebben we daaraan voor zo veel mensen?’ Jezus zei: ‘Laat iedereen gaan zitten.’ Er was daar veel gras, en ze gingen zitten; er waren ongeveer vijfduizend mannen. Jezus nam de broden, sprak het dankgebed uit en verdeelde het brood onder de mensen die er zaten. Hij gaf hun ook vis, zo veel als ze wilden." (Johannes 6:1-11) Dinsdag, vierde week: De storm op het meer
De leerlingen zien Jezus op het water lopen in een hevige storm. "Bij het vallen van de avond daalden zijn leerlingen af naar het meer; ze stapten in een boot en zetten koers naar de overkant, naar Kafarnaüm. Het was al donker geworden, en Jezus was nog niet naar hen toe gekomen. Er stak een hevige wind op en het meer werd onstuimig. Toen ze vijfentwintig of dertig stadie geroeid hadden, zagen ze plotseling Jezus over het meer lopen; hij was dicht bij de boot en ze werden bang. Maar hij zei: ‘Ik ben het, wees niet bang.’ Ze wilden hem aan boord nemen, maar meteen kwam de boot aan land op de plaats waar ze naartoe wilden." (Johannes 6:16-21) Jezus komt naar de discipelen toe wanneer er hevige wind is en het meer onstuimig. Om een kaart bij te trekken: In welke gestalte komt Jezus op mij toe? Woensdag, vierde week: Het brood dat leven geeft
"Ze
(leerlingen)
vroegen: ‘Wat moeten we doen? Hoe doen we wat God
wil?’ ‘Dit moet u voor God doen:
geloven in hem die hij gezonden
heeft,’ antwoordde Jezus. 30 Toen vroegen ze:
‘Welk wonderteken kunt u dan
verrichten? Als we iets zien zullen we in u geloven. Wat kunt u
doen? Onze voorouders hebben immers manna in de woestijn
gegeten,
zoals
geschreven staat: “Brood uit de hemel heeft hij hun te eten
gegeven.”’ Maar Jezus zei:
‘Waarachtig, ik verzeker u: niet
Mozes heeft u het
brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader; hij geeft u het ware brood
uit de
hemel. Het brood van God is het brood dat neerdaalt uit de
hemel en dat
leven geeft aan de wereld.’ ‘Geef ons
altijd dat brood, Heer!’ zeiden
ze toen. ‘Ik ben het brood dat leven
geeft,’ zei Jezus. ‘Wie bij mij
komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft zal nooit meer
dorst
hebben." (Johannes 6:28-35) Jezus zegt dat hij het brood is dat leven geeft. Om een kaart bij te trekken: Hoe ben ik brood dat leven geeft? Donderdag, vierde week: Het offer dat leven geeft
"Ik
ben het
brood
dat leven geeft. Uw voorouders hebben in
de woestijn manna gegeten en toch zijn zij gestorven. Maar
dit is het
brood dat uit de hemel is neergedaald; wie dit eet sterft
niet. Ik ben
het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit
brood eet
zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik zal geven voor het leven van
de
wereld, is mijn lichaam.’" (Johannes 6:48-51) Jezus
zegt dat hij het levende brood is dat hij geeft
voor het
leven van de wereld. Om
een kaart
bij te trekken: Wat is
het offer dat mij leven
geeft?
Vrijdag, vierde
week: De
plaats van Jezus
"Nu begonnen de Joden heftig met elkaar te discussiëren: ‘Hoe kan die man ons zijn lichaam te eten geven!’ Daarop zei Jezus: ‘Waarachtig, ik verzeker u: als u het lichaam van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in u. Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en hem zal ik op de laatste dag uit de dood opwekken. Mijn lichaam is het ware voedsel en mijn bloed is de ware drank. Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem." (Johannes 6: 52-56) Jezus zegt: “Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem.” Om een kaart bij te trekken: Welke plaats heeft Jezus in mij? Zaterdag, vierde week: De Geest die levend maakt
"Veel
leerlingen die het gehoord hadden zeiden: ‘Dit zijn harde
woorden, wie kan
daarnaar luisteren?’ Jezus wist wel dat zijn
leerlingen protesteerden
en zei tegen hen: ‘Ergeren jullie je hieraan? Maar
als jullie nu de
Mensenzoon zouden zien opstijgen naar waar hij eerst was?
63 De Geest
maakt levend, het lichaam dient tot niets. Wat ik gezegd heb is geest
en leven."
(Johannes 6:60-63) Jezus zegt dat de Geest levend maakt. Om een kaart bij te trekken: Wat is de Geest in mij die levend maakt? Leesrooster gebaseerd op:
Dienstboek, een proeve, deel I: Schrift - Maaltijd - Gebed.
Boekencentrum, 1998.
|