Tarot in de Veertigdagentijd 
Vierde week

Je vindt hier tarotleggingen van één kaart voor de vierde week in de Veertigdagentijd. De veertig dagen voor Pasen zijn dagen van inkeer en bezinning. Het aantal dagen herinnert aan de veertig dagen waarin Jezus zich terugtrok in de woestijn om na te denken voordat zijn openbare optreden begon.

Voor iedere dag vind je een vraag bij een stukje uit de bijbel. Op de vraag geef je antwoord door het trekken van een tarotkaart. De tarotkaart zet je aan het denken over jezelf en je situatie, je verhouding tot je God, tot Christus en tot de weg die hij ging. De bezinning in deze dagen bereidt voor op het nieuwe leven dat Pasen en de lente ons schenken.



Zondag, vierde week: Niet zien en niet horen

Jezus herinnert de leerlingen aan de wonderen waarbij hij vijf broden brak waar vijfduizend mensen van konden eten en zeven broden waar vierduizend mensen van konden eten.

"Ze (de leerlingen) hadden het er met elkaar over dat ze geen brood hadden. Toen hij dit merkte, zei hij: ‘Waarom praten jullie erover dat je geen brood hebt? Begrijpen jullie het dan nog niet, en ontbreekt het jullie aan inzicht? Zijn jullie dan zo hardleers? Jullie hebben ogen, maar zien niet? Jullie hebben oren, maar horen niet? Weten jullie dan niet meer hoeveel manden vol stukken brood jullie hebben opgehaald toen ik vijf broden brak voor vijfduizend mensen?’ ‘Twaalf,’ antwoordden ze. ‘En toen ik zeven broden brak voor vierduizend mensen, hoeveel manden vol stukken brood hebben jullie toen opgehaald?’ ‘Zeven,’ antwoordden ze. Toen zei hij: ‘Begrijpen jullie het dan nog niet?’" (Marcus 8:16-21)

Jezus zegt: “Jullie hebben ogen, maar zien niet? Jullie hebben oren, maar horen niet? Jullie hebben oren, maar horen niet?” Om een kaart bij te trekken: Wat kan ik niet zien en horen?

 

Maandag, vierde week: De broodvermenigvuldiging

Jezus doet een wonder. Hij deelt vijf broden en twee vissen en er is genoeg voor vijfduizend mensen.

"Daarna ging Jezus naar de overkant van het Meer van Galilea (ook wel het Meer van Tiberias genoemd). Een grote menigte mensen volgde hem, omdat ze gezien hadden welke wondertekenen hij bij zieken deed. Jezus ging de berg op, en ging daar met zijn leerlingen zitten. Het was kort voor het Joodse pesachfeest. Toen Jezus om zich heen keek en zag dat die menigte naar hem toe kwam, vroeg hij aan Filippus: ‘Waar kunnen we brood kopen om deze mensen te eten te geven?’ Hij vroeg dat om Filippus op de proef te stellen, want zelf wist hij al wat hij zou gaan doen. Filippus antwoordde: ‘Zelfs tweehonderd denarie zou niet voldoende zijn om iedereen een klein stukje brood te geven.’ Een van de leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei: 9 ‘Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen – maar wat hebben we daaraan voor zo veel mensen?’ Jezus zei: ‘Laat iedereen gaan zitten.’ Er was daar veel gras, en ze gingen zitten; er waren ongeveer vijfduizend mannen. Jezus nam de broden, sprak het dankgebed uit en verdeelde het brood onder de mensen die er zaten. Hij gaf hun ook vis, zo veel als ze wilden." (Johannes 6:1-11) 

Jezus vermenigvuldigt brood en vissen, zodat iedereen genoeg te eten heeft. Om een kaart bij te trekken: Waar heb ik meer van nodig?  



Dinsdag, vierde week: De storm op het meer

De leerlingen zien Jezus op het water lopen in een hevige storm.

"Bij het vallen van de avond daalden zijn leerlingen af naar het meer; ze stapten in een boot en zetten koers naar de overkant, naar Kafarnaüm. Het was al donker geworden, en Jezus was nog niet naar hen toe gekomen. Er stak een hevige wind op en het meer werd onstuimig. Toen ze vijfentwintig of dertig stadie geroeid hadden, zagen ze plotseling Jezus over het meer lopen; hij was dicht bij de boot en ze werden bang. Maar hij zei: ‘Ik ben het, wees niet bang.’ Ze wilden hem aan boord nemen, maar meteen kwam de boot aan land op de plaats waar ze naartoe wilden." (Johannes 6:16-21)

Jezus komt naar de discipelen toe wanneer er hevige wind is en het meer onstuimig. Om een kaart bij te trekken: In welke gestalte komt Jezus op mij toe?



Woensdag, vierde week: Het brood dat leven geeft

Jezus spreekt over zichzelf als brood.

"Ze (leerlingen) vroegen: ‘Wat moeten we doen? Hoe doen we wat God wil?’ ‘Dit moet u voor God doen: geloven in hem die hij gezonden heeft,’ antwoordde Jezus. 30 Toen vroegen ze: ‘Welk wonderteken kunt u dan verrichten? Als we iets zien zullen we in u geloven. Wat kunt u doen? Onze voorouders hebben immers manna in de woestijn gegeten, zoals geschreven staat: “Brood uit de hemel heeft hij hun te eten gegeven.”’ Maar Jezus zei: ‘Waarachtig, ik verzeker u: niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader; hij geeft u het ware brood uit de hemel. Het brood van God is het brood dat neerdaalt uit de hemel en dat leven geeft aan de wereld.’ ‘Geef ons altijd dat brood, Heer!’ zeiden ze toen. ‘Ik ben het brood dat leven geeft,’ zei Jezus. ‘Wie bij mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst hebben." (Johannes 6:28-35) 

Jezus zegt dat hij het brood is dat leven geeft. Om een kaart bij te trekken: Hoe ben ik brood dat leven geeft?



Donderdag, vierde week: Het offer dat leven geeft

Jezus spreekt over zijn offer.

"Ik ben het brood dat leven geeft. Uw voorouders hebben in de woestijn manna gegeten en toch zijn zij gestorven. Maar dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald; wie dit eet sterft niet. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.’" (Johannes 6:48-51)

Jezus zegt dat hij het levende brood is dat hij geeft voor het leven van de wereld. Om een kaart bij te trekken: Wat is het offer dat mij leven geeft?

 

Vrijdag, vierde week: De plaats van Jezus


Jezus spreekt over de plaats van zijn lichaam.

"Nu begonnen de Joden heftig met elkaar te discussiëren: ‘Hoe kan die man ons zijn lichaam te eten geven!’ Daarop zei Jezus: ‘Waarachtig, ik verzeker u: als u het lichaam van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in u. Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en hem zal ik op de laatste dag uit de dood opwekken. Mijn lichaam is het ware voedsel en mijn bloed is de ware drank. Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem." (Johannes 6: 52-56)

Jezus zegt: “Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem.” Om een kaart bij te trekken: Welke plaats heeft Jezus in mij?



Zaterdag, vierde week: De Geest die levend maakt

Jezus spreekt over de Geest.

"Veel leerlingen die het gehoord hadden zeiden: ‘Dit zijn harde woorden, wie kan daarnaar luisteren?’ Jezus wist wel dat zijn leerlingen protesteerden en zei tegen hen: ‘Ergeren jullie je hieraan? Maar als jullie nu de Mensenzoon zouden zien opstijgen naar waar hij eerst was? 63 De Geest maakt levend, het lichaam dient tot niets. Wat ik gezegd heb is geest en leven." (Johannes 6:60-63) 

Jezus zegt dat de Geest levend maakt. Om een kaart bij te trekken: Wat is de Geest in mij die levend maakt?



Leesrooster gebaseerd op: Dienstboek, een proeve, deel I: Schrift - Maaltijd - Gebed. Boekencentrum, 1998.

© Berthe van Soest 
 

Naar tarot in de Veertigdagentijd
Naar lente tarotleggingen
Naar tarotleggingen bij de bijbel
Naar tarotleggingen
Naar homepage